Geschiedenis IJsselstein

IJsselstein ontstond als nederzetting in de buurt van kasteel IJsselstein, dat in 1279 voor het eerst wordt genoemd toen het in het bezit kwam van Gijsbrecht van Amstel. Hij ging zich later ook Gijsbrecht van IJsselstein noemen.

IJsselstein ontstond als nederzetting in de buurt van kasteel IJsselstein, dat in 1279 voor het eerst wordt genoemd toen het in het bezit kwam van Gijsbrecht van Amstel. Hij ging zich later ook Gijsbrecht van IJsselstein noemen.

1310 was een belangrijk jaar voor IJsselstein. Er is een akte voor de wijding van de Nicolaaskerk, een huwelijksakte van Maria van Henegouwen en Arnoud van Amstel en een akte uit dat jaar waarin toestemming wordt verleend voortaan drie jaarmarkten te houden. In 1310 kreeg het dorp stadsrechten en de stad IJsselstein is dan officieel een feit. Omstreeks 1390 werd het ommuurd, mogelijk voor de tweede keer. In 1418 werd het verwoest door Jacoba van Beieren op verzoek van de Utrechters en in 1466 door bendes uit Gelderland. Bij de wederopbouw na 1466 werd een gebied ommuurd dat maar ongeveer half zo groot was als daarvoor: het gebied gevormd door de huidige wijk Nieuwpoort viel erbuiten. Na een aanval van jonker Floris van IJsselstein op de stad Utrecht volgde er in 1482 een beleg van IJsselstein door de Utrechters, en in 1511 nog eens opnieuw. 

In 1551 kwam IJsselstein in het bezit van Willem van Oranje als gevolg van diens huwelijk met Anna van Egmond en Buren.

Willem en zijn opvolgers, de Prinsen van Oranje, besteedden niet veel aandacht aan hun kleine feodale bezit, maar onder de Friesche Nassaus die de baronie na de dood van de kinderloze Willem III erfden werd IJsselstein in 18de eeuw een klein belastingparadijs. In de Republiek bestonden in de 18de eeuw naast de zeven gewesten een aantal zelfstandige ministaatjes. IJsselstein was er daar één van. In tegenstelling tot andere vrijplaatsen gebruikte de baronie haar autonomie veel minder om asiel te verlenen aan criminelen, maar vormde ze zich om tot een belastingparadijs dat rijke inwoners uit de hele Republiek trok. Vooral renteniers werden door de belastingtarieven aangetrokken. Voor failliet gegane ondernemers en particulieren was IJsselstein minder aantrekkelijk. Het stadje koos voor een respectabele positie.

Maria Louise van Hessen-Kassel, de regentes voor Willem IV liet in IJsselstein openbare werken verrichten. Er kwamen riolen en een Latijnse School. Voor de kinderen van de rijke ingezetenen was er een schermleraar.

Halverwege de 19e eeuw komen nieuwe vormen van industrie op, waarbij de Hollandse IJssel fungeert als aan- en afvoerroute. Gedurende een eeuw groeit en bloeit de houtverwerkende industrie en floreren de steenovens langs de Hollandse IJssel. Sinds de jaren zestig van de 20e eeuw gaat het met de hout- en steenindustrie echter bergafwaarts. Veel fabrieken sluiten de deuren. Nieuwe bedrijven, vaak in de dienstverlenende sector, komen ervoor in de plaats.

De middeleeuwse oorsprong van de stad blijft tot in de 19e eeuw het uiterlijk van de nederzetting domineren. In de loop van die eeuw echter worden uit geldgebrek vrijwel alle stadsmuren en -poorten gesloopt. Het dan al danig vervallen kasteel Steyne gaat eveneens tegen de vlakte. Alleen de kasteeltoren staat nog steeds fier overeind als getuige van andere tijden. De oude middeleeuwse contouren bepalen de stadsgrenzen nog tot na de Tweede Wereldoorlog, met uitzondering van het eerste gedeelte van één uitbreidingswijk uit de jaren twintig: Oranjekwartier. Na de oorlog is IJsselstein in hoog tempo uitgegroeid tot de stad met ca. 35.000 inwoners die zij nu is.