Betoog Kees Duijvelaar bij de begroting 2022: Grip op de financiën is in de afgelopen vier jaren versterkt!

Voorzitter,

Over gemeentefinanciën zijn heel wat rapporten, boeken en proefschriften geschreven. Sinds ik in 1980 bij de VNG ging werken, heb ik de financiële verhoudingen tussen gemeenten en rijk ervaren als een haat-liefde verhouding. In 1980 bestonden er, naast de algemene uitkering uit het Gemeentefonds, nog 537 specifieke uitkeringen [1]. De verdeling van het Gemeentefonds is sindsdien een aantal keren herzien. Steeds waren er voordeelgemeenten en nadeelgemeenten, en de solidariteit van gemeenten stond regelmatig onder druk. Er ging naar verhouding steeds meer geld naar de Grote Vier: de probleem-culminatiegebieden, en naar de G32 – zeg maar, de 100.000-plus gemeenten. In de jaren dat ik bij de VNG heb gewerkt heb ik niet meegemaakt dat op enig moment álle gemeenten tevreden waren.

In 2015 werden de drie decentralisaties doorgevoerd. Als ‘eerste overheid’ zouden de gemeenten de WMO, de Wet werk en inkomen [2] en de Jeugdwet doelgerichter en doelmatiger, lees: goedkoper, kunnen uitvoeren. We weten nu dat dat niet gelukt is, en nu zijn álle gemeenten ontevreden. Ik ben inmiddels weg bij de VNG en pas heel recent is sprake van enige verlichting. (Het één houdt overigens geen verband met het ander). In juni maakte het Kabinet bekend dat het ruim €1,3 mrd extra beschikbaar stelt, bovenop de al eerder toegezegde €300 mln om de tekorten op de jeugdzorg te compenseren.

Nog midden dit jaar meldden kranten en vakbladen dat zeker de helft van alle gemeenten geen meerjarig sluitende begroting zou kunnen indienen. Dat beeld is door het extra geld voor de jeugdzorg, door andere meevallers en door in te teren op de reserves, duidelijk veranderd. Een kleine rondgang langs gemeenten [3] levert nu het overwegende beeld op van ”een toch nog sluitende begroting, maar geen structurele verbetering van de financiële positie”. Gemeenten worstelen dus nog steeds met hun financiën en hebben voor betere financiële verhoudingen, hun hoop gevestigd op het nieuwe Kabinet.

Hoe moeten wij tegen deze achtergrond kijken naar onze programmabegroting 2022? Hoewel de overschotten de komende jaren weer teruglopen, en de  weerstandsfactor nog niet op het door de raad gevraagde niveau van 1,5 komt, is de begroting wel meerjarig sluitend. Dat is jaren niet meer voorgekomen en dat stemt ons dan ook positief. 2022 laat een overschot zien van ruim € 1,6 mln, en als we de septembercirculaire meetellen, zelfs een overschot van bijna € 2,3 mln. Hoe komt dat, afgezien van het extra geld voor jeugdzorg en incidentele meevallers? Om nog één keer met Louis van Gaal te spreken: zijn wij nou zo slim, of zijn andere gemeenten nou zo dom? Dat laatste zeker niet, maar het eerste is ten dele waar. IJsselstein voert een stringent financieel beleid. Wij begroten reëel en komen niet voortdurend met tussentijdse begrotingswijzigingen. Extra uitgaven worden binnen de begroting opgevangen. De financiële rapportages zijn de afgelopen vier jaar sterk verbeterd: de raad krijgt elk kwartaal een kwartaalrapportage voorgeschoteld. En het Kadernotaproces is de afgelopen vier jaar goed ingeregeld. Allemaal maatregelen die de grip op onze financiën versterken.

Kunnen wij nu tevreden achterover leunen en onze fantasie laten gaan over mogelijkheden om het overschot een mooie bestemming te geven? Nee voorzitter: ook al is Sinterklaas in aantocht, wij moeten de hand op de knip houden. Want met elke greep uit onze schatkist verzwakken wij onmiddellijk onze financiële positie in de komende jaren. Beter is het, zoals ook wordt voorgesteld, om een reserve aan te houden voor de herverdeling van het Gemeentefonds nu het er alle schijn van heeft dat IJsselstein weer tot de nadeelgemeenten zal behoren. We moeten ons wel realiseren dat deze programmabegroting ‘beleidsarm’ is. Dat klopt met de uitkomst van het Kadernotaproces. De VVD-fractie houdt daar aan vast. Dus wat ons betreft, komen er op deze begroting geen amendementen. Maar een beleidsarme begroting nu, kan betekenen dat wij de volgende jaren worden geconfronteerd met opgelegd nieuw beleid, bij voorbeeld als gevolg van de klimaatadaptatie, de energietransitie, of de invoering van de Omgevingswet en de Wet kwaliteitsborging in de bouw. Wat gaat de eventuele aanpassing en de implementatie van de omgevingsvisie ons kosten? En zullen wij onze woningbouwopgave wel halen. Tenslotte is er nog het reële gevaar dat de rekening voor de bestrijding van de Corona-crisis tegenvalt en op gemeenten wordt afgewenteld.

Wij moeten ons ook realiseren dat wij voor een deel open-eindregelingen moeten uitvoeren. Wanneer het sociaal-maatschappelijke klimaat verslechtert en meer uitkeringen verstrekt moeten worden, of wanneer wij wettelijk verplicht zijn, kostbare, individuele voorzieningen te treffen, dan zal dat een negatieve neerslag hebben op onze financiële positie. Het mag duidelijk zijn dat de VVD een goed vangnet wil blijven bieden aan iedereen die daarop is aangewezen. Én dat we tegelijkertijd kritisch blijven kijken naar rechtmatigheid en doelmatigheid. Plus dat we een groot beroep zullen moeten blijven doen op vrijwilligers en mantelzorgers. Anders zullen de kosten van deze open-eind regelingen niet meer op te brengen zijn.

De VVD staat voor een gemeentelijke overheid die Betrokken is, dat wil zeggen: die weet wat er leeft onder de inwoners en wat goed voor hen is. Een overheid die Betrouwbaar is, dus: een overheid die transparant is en afspraken nakomt. En een overheid die Betaalbaar is. Betrokken, Betrouwbaar en Betaalbaar, dat zijn onze drie B’s. En wat die betaalbaarheid betreft, hanteren wij onder meer de volgende uitgangspunten: De vervuiler betaalt; wie profijt heeft, betaalt mee; voor leges en voor diensten wordt de kostprijs in rekening gebracht. Dat zien wij terug in deze begroting, die van de VVD de volledige instemming krijgt.

Dan heb ik nog twee restpuntjes, voorzitter.

Een punt waar wij ons vorig jaar, en nu weer, zorgen over maken is de controle op de financiën van de verbonden partijen. Jaren geleden ontdekte ik eens een typefout in de begroting: daar stond verboden, in plaats van verbonden partijen. En inderdaad voorzitter: de verbonden partijen lijken soms wel verboden terrein als het gaat om inzicht te krijgen in hun financiën. Zo kwamen wij in het verleden nog wel eens voor onaangename verrassingen te staan. We moeten ons voortdurend de vraag stellen of de organisatie wel op orde is; de processen efficiënt en effectief worden uitgevoerd; geen onnodige of onnodig hoge reserves worden aangehouden. Zoals ook vorig jaar vanaf deze plaats is bepleit, moeten wij er als raad op toe kunnen zien dat deze uitvoerende partijen geen eigen beleid ontwikkelen, of projecten in gang zetten, of producten en diensten ontwikkelen, waar wij niet om hebben gevraagd – maar waaraan wij wel mogen meebetalen. Maar hoe doen wij dat?

In de commissie bestuur is de vraag gesteld, in hoeverre van de raadsrapporteurs mag worden verwacht dat zij zich indringender met de verbonden partijen bezig houden. Zelf in dikke rapporten duiken. Vooroverleg hebben met de wethouder. Of zelf deelnemen aan bestuursvergaderingen. Wij hebben die discussie nog niet ten einde gevoerd. De VVD acht het wenselijk om, met het oog op de nieuwe raad die in maart 2022 aantreedt, hierover door te praten en conclusies te trekken.

Ook staan wij nog voor de vraag, welke aanbevelingen wij aan de nieuwe raad kunnen doen met betrekking tot de werkgroep Planning en Control. Zoals eerder gezegd, heeft de huidige werkgroep mede gezorgd voor een goed kadernotaproces en regelmatige financiële rapportages. Maar is hiermee haar taak tot een einde gekomen?

Dat waren nog twee restpuntjes, voorzitter. Waarmee ik ben gekomen aan het eind van mijn betoog.

 

[1] hoofddirecteur prof. E.L. Berg in het VNG Magazine

[2] inmiddels, de Participatiewet

[3] (Aa en Hunze, Bodegraven, Papendrecht, Dronten, Harlingen, Heilo, Groningen, Opsterland…